Leren in de Kerk > Basishouding en gesprekstechniek

Basishouding en gesprekstechniek

Als pastor moet je goed gesprekken kunnen voeren. Een goed gesprek over geloof wordt gedragen door een voldoende beheersing van gesprekstechnieken. En daarvoor moet je beschikken over een goede basishouding. Want hoe goed je gesprekstechnieken ook zijn, als je houding niet klopt, dan kom je niet ver. Als je als pastor niet van je mensen houdt en niet echt open voor hen kunt staan vanwege je eigen (veroordelende) gedachten, ontstaat er geen veilig gespreksklimaat. Over deze twee eigenschappen, basishouding en gesprekstechnieken, gaat dit hoofdstuk.

Je basishouding
Voor een goede pastorale basishouding zijn er vier elementen nodig.
1. Houd het gelijkwaardig. Als pastor ben je nooit meer of beter dan degene die pastorale zorg nodig heeft. Besef dat jullie beiden evenveel waard zijn voor God. Pas ervoor op dat je niet op de ander neerkijkt, maar haal jezelf ook weer niet naar beneden. Beide houdingen belemmeren een veilig en open gespreksklimaat. Blijf jezelf onderzoeken op dit punt.
2. Blijf de luisterende partij. Als pastor ben je uiteindelijk, na zorgvuldig te luisteren, de adviserende partij. Het gemeentelid ontvangt. Jij luistert naar zijn pastorale vraagstukken en thema’s, daar geef je alle aandacht aan. Deze rollen moet je niet omdraaien: jouw problemen, moeiten en zorgen moeten niet aan bod komen. De gezonde balans is dus dat jij als pastor geeft en dat de ander ontvangt.
3. Wees belangeloos. De pastorale relatie dient ‘vrij’ te zijn. Dat betekent dat je niet structureel pastor kunt zijn voor familieleden, vrienden of collega’s. Vermenging van rollen kan namelijk het gesprek onbedoeld en ongewild toch onveilig maken. Er speelt dan te veel mee. De ander hoort te veel in je stem. Je bent niet vrij. Dit betekent natuurlijk niet dat je met familie, of vrienden geen geloofsgesprekken kunt voeren, maar daarin functioneer je niet als pastor.
4. Luister en spreek vanuit een houding van niet-weten. Parkeer je eigen oordelen en stel open vragen. Zeker in het begin
van een pastorale relatie weet je echt niet wat er aan de
hand is en wat de problemen voor de ander betekenen. Je zult gewoon overal naar moeten vragen om daar achter te komen. Bedenk daarbij dat iedereen zijn eigen situatie met eigen woorden en beelden beschrijft. Ook al herken je die woorden en beelden, besef dat het voor de ander een heel eigen, specifieke inhoud kan hebben. Blijf open vragen stellen.

Luister met een open mind
Het vierde element, ‘luister en spreek vanuit een houding van niet-weten’ is erg belangrijk. Een voorbeeld.

Elise zit thuis met een burn-out. Als een verdrietig hoopje mens zit ze op de bank. Ze heeft keihard voor de school gewerkt, viel in voor haar collega’s, niks was haar te dol. Leerlingen gaan voor! Nu zit ze thuis en ze vraagt zich wanhopig af waarom God dit doet. Waar is dit nou voor nodig? Karel, haar pastor, hoort haar verhaal aan en stelt wat vragen. Hij is onder de indruk van haar wanhoop. ‘Wat betekent dit voor je?’ vraagt hij. Elise begint weer te huilen: ‘Ik voel me zo enorm schuldig.’ Begripvol reageert Karel: ‘Ja meid, dat kan ik me voorstellen.’

Wat vind jij van Karels laatste uitspraak? Hij begaat, met alle goede bedoelingen, toch een blunder. Natuurlijk weet hij wat schuldgevoelens zijn, maar zijn schuldgevoelens zijn die van Elise niet! Deze twee mensen hebben verschillende karakters en voor elk heeft schuldgevoel een andere lading. Karel had beter kunnen vragen: ‘Elise, wat betekent schuld voor jou?’ Daarmee had hij haar de gelegenheid geboden om haar hart echt eens te luchten.
Wat ook weleens gebeurt, is dit:

Elise zit thuis met een burn-out. Karel, haar pastor, hoort haar verhaal aan en stelt wat vragen. ‘Wat betekent dit voor je?’ vraagt hij. Elise begint te huilen: ‘Ik voel me zo enorm schuldig.’
Karel begrijpt dit niet. Hij reageert: ‘Maar Elise, dat schuldgevoel is toch echt nergens voor nodig?’

Het heeft geen enkele zin te twisten over de vraag of het wel klopt hoe iemand een situatie beleeft. Het is net zoals smaak, daar twist je ook niet over. Met Karels reactie zal Elise zich niet begrepen hebben gevoeld.
Mensen die jouw hulp nodig hebben, vragen om erkenning van al hun gevoelens en gedachten. Juist dat biedt een veilig klimaat waardoor er veel gedeeld kan worden. En voor alle duidelijkheid: erkenning betekent niet dat je het altijd met de ander eens bent. Zo had Karel tegen Elise kunnen zeggen: ‘Ik zie hoe schuldig je je voelt en zoals ik je ken, begrijp ik dat ook wel. Het past bij hoe jij met je werk omgaat. Tegelijkertijd ga ik je toch eens vragen om stil te staan bij dat schuldgevoel van je. Heb je niet teveel verantwoordelijkheid op je genomen, waardoor je schuldgevoel ook uitvergroot is?’ Zo ontstaat er een open en veilig gespreksklimaat, waardoor Elise zich uitgenodigd voelt om haar verhaal helemaal te vertellen. En daarmee komen we bij het volgende punt.

Onderzoek het levensverhaal van de ander
Elise heeft een pastorale hulpvraag door haar burn-out: ‘Hoe kan God dit…’ etc. Maar deze ene vraag hoort bij haar hele leven. Ze heeft zo hard gewerkt. Dat zat er al vroeg in, dat harde werken en die geweldige loyaliteit aan anderen. Het is zo verbonden met wie ze is, met haar karakter, met tal van levenssituaties.

Geef als pastor de ander de tijd om ‘op verhaal te komen’, om zijn levensverhaal te vertellen. Pastorale vraagstukken worden nooit in een enkel gesprek opgelost. Op verhaal komen vraagt aandacht. Neem dus de tijd en geef je tijd! Let op het verhaal, zoals dat zich ontvouwt, en vul niet te snel je eigen conclusies in. Mensen gaat pas verbanden zien als ze vertellen over hun eigen achtergrond. Hoe zou jij die als pastor dan al vooraf kunnen invullen?

Toen Karel na het gesprek met Elise naar huis ging, piekerde hij over dat schuldgevoel van haar. Hij begreep het achteraf toch niet echt. Wat zou er met haar aan de hand zijn, dacht hij. Zou ze mensen tekort gedaan hebben? Of zou er iets in haar verleden mis zijn gegaan? Ze heeft ook geen relatie. Wat is er eigenlijk aan de hand? Karel probeerde een diagnose te stellen, maar kwam niet ver. Natuurlijk niet: het levert alleen maar hoofdpijn op als je dingen gaat invullen voor een ander. Voor de meeste pastors valt het stellen van diagnoses niet onder hun professie. Als pastor kun je beter aandachtig luisterende vragen stellen.
Let dus vooral op het verhaal van de ander. Daar zitten genoeg aanknopingspunten in voor het verder bouwen aan de pastorale
relatie.

Durf een beroep te doen op de betrokkene
Elk mens beschikt over mogelijkheden om met de eigen vraagstukken om te gaan: talenten, hulpbronnen en gaven. Door omstandigheden kan iemand het zicht hierop kwijtraken. Mensen kunnen geschokt en geschonden zijn. Maar niemand hoeft blijvend een slachtoffer te zijn van omstandigheden of in een slachtofferhouding te blijven hangen. Op het juiste moment en op de juiste manier kun je als pastor een beroep doen op iemands eigen verantwoordelijkheid en zelfredzaamheid.
Pas op voor mensen die hun problemen helemaal bij jou neerleggen. Ze overschatten jou en onderschatten zichzelf. Ze zijn het zicht op hun eigen gaven en talenten kwijt. Als je zoiets merkt, is het verstandig om te vragen wat zij precies van jou verwachten. Dan kan dat worden uitgesproken en kun je samen de verwachtingen bijstellen.

Besef: jij bent als pastor representant van God
Vanuit gelijkwaardigheid belangeloos aanwezig zijn, erkenning bieden voor hoe de ander zich voelt, iemand echt zien en horen, dat alles bij elkaar opgeteld maakt dat je representant bent van God. Onvolkomen, menselijk, maar toch! God hoort, ziet en belooft bij ons te zijn en doet dat met behulp van de oren, ogen en stem van jou als pastor! Zo kan het lied werkelijkheid worden via jou: ‘De Heer heeft mij gezien en onverwacht ben ik opnieuw geboren en getogen.’

Gesprekstechnieken
Goed, de basishouding hebben we nu gesproken. Daarmee is ook al iets gezegd over gesprekstechnieken, maar nog lang niet alles. Er zijn heel veel goede boeken over gesprekstechnieken geschreven (zie de boekentip onderaan dit hoofdstuk), en er valt veel meer over te zeggen dan we in dit hoofdstuk kunnen behandelen. We beperken ons daarom tot de drie belangrijkste gesprekstechnieken, te weten:

1. Sluit aan bij het tempo en de woordkeus de ander;
2. wees je bewust van de verschillende gesprekslagen;
3. stel doelen.

Sluit aan bij het tempo en de woordkeus van de ander
Elk mens drukt zich uit in zijn eigen taal, met behulp van persoonlijke intonaties, zegswijzen, beelden, symbolen en grammatica. Elk mens heeft zijn eigen palet van beelden en woorden. Die woorden worden meestal onbewust uitgesproken, maar zijn niet toevallig gekozen. Ze zijn vol betekenis voor diegene die ze gebruikt.

Elise is wanhopig dat ze nu thuis moet zitten. Op een gegeven moment zegt ze tegen Karel: ‘Ik zit met m’n handen in het haar. Wat moet ik nou?’ Goeie, denkt Karel, wat zal ik daar nu op zeggen?

Deze manier van zeggen berust niet op toeval. Elise zegt niet: ‘Het ligt als een steen op m’n maag,’ of: ‘Ik kan er niet meer tegenop.’ Onbewust, maar niet toevallig zegt ze: ‘Ik zit met de handen in m’n haar.’ Dit is een uitdrukking die bij Elise past en voor haar precies uitdrukt hoe zij zich voelt. Als je iets samenvat van wat de ander heeft gezegd, gebruik dan zijn of haar eigen woorden en beelden. Daardoor voelt de ander zich erkend en begrepen.
Karel kan dat zo doen: ‘Wat roept dat bij je op Elise, als je met je handen in het haar zit?’ Dus niet vertalen in eigen woorden. ‘Ik begrijp dat je het helemaal niet meer ziet zitten,’ is geen goede reactie. Let daarbij ook op de houding van de ander, zijn stemgebruik en intonatie en het tempo waarin iemand spreekt. De kunst is om daar een beetje in mee te gaan. Een goed gesprek is namelijk als een dans. Jullie bewegingen en houdingen volgen elkaar en sluiten nauw op elkaar aan. Dus als iemand langzaam spreekt, pas je jouw spreektempo een beetje aan. Durft iemand je niet goed in de ogen te kijken, ga dan niet heel bewust wel oogcontact zoeken, want dat voelt onveilig. Is iemand erg emotioneel, probeer dan ook wat emotie door te laten klinken in hoe je reageert. Ga vooral niet extra zakelijk zitten doen, omdat de ander zo emotioneel is. Hoe zakelijker je wordt, hoe minder de ander zich begrepen voelt. Laat de ander maar je danspartner zijn die jou leidt. Zo schep je ook non-verbaal een veilig en ontvankelijk klimaat.

Wees je bewust van de verschillende gesprekslagen
De inhoud van wat je zegt, is verpakt in allerlei non-verbale aspecten. Als je met een grafstem zegt dat je je heel goed voelt, gelooft niemand je. En de dominee die op boze toon verkondigt dat God liefde is, maakt zichzelf (en God) ongeloofwaardig. Zo is de non-verbale kant een belangrijke laag onder de inhoud. Het is de toon die de muziek maakt en dus is het goed om regelmatig die toon te bespreken en te bevragen. Het pastorale gesprek bestaat uit de volgende vier lagen:

1. Een zakelijke, inhoudelijke laag. Het gesprek gaat ergens over.
2. De expressieve laag. In elk gesprek drukt iemand zich uit, geeft iemand zich bloot, vaak meer dan men zich bewust is. Er zit emotionaliteit onder de woorden.
3. Een appellerende laag. Vaak klinkt non-verbaal ook een zekere verwachting door in gesprekken. Wat zou Elise nu precies van Karel verwachten? Wat wil ze van hem? Het is goed om deze verwachtingen regelmatig aan de orde te stellen.
4. De relationele laag. In de toon van elk gesprek klinkt ook door hoe de relatie tussen de gesprekspartners wordt gewaardeerd. Hoe dichtbij mag iemand komen? Kijkt Elise tegen Karel op, of heeft ze het niet zo op hem? Klinken er gevoelens van meerof minderwaardigheid door in hoe men met elkaar omgaat?

De laatste drie lagen van het gesprek bepalen voor een groot deel de kwaliteit ervan. Hieraan aandacht besteden in je gesprekken is voor een pastor essentieel.

Stel doelen
Voor veel van de pastorale vragen die je op je weg vindt, zal een enkel gesprek niet voldoende zijn. Vaak ben je betrokken bij situaties van verlies, lijden, gebrokenheid, verdriet, eenzaamheid. In dat soort gevallen doorloop je bijna altijd een pastoraal traject. Om die reden is het goed om samen met die ander stil te staan bij de vraag wat hij van je verwacht en waarover het in de gesprekken moet gaan. Welke pastorale doelen zijn belangrijk voor jullie beiden? Het voordeel daarvan is dat ook de ander aan het denken wordt gezet over wat hij nou precies nodig heeft. En het versterkt en bevestigt ook het besef van zijn eigen verantwoordelijkheid in dit traject.

Een paar tips om zo goed mogelijk doelen te formuleren:
1. Omschrijf wat er in het pastorale traject moet gebeuren zoveel mogelijk in de woorden en beelden van de betrokkene zelf.
2. Zorg ervoor dat hetgeen je wilt bereiken in positieve bewoordingen is omschreven. Dus niet wat iemand niet meer wil (bijv. ‘Ik wil niet langer boos zijn op God’) maar wat iemand juist wel wil (‘Ik wil weer vrede met God’).
3. Bij het formuleren van je doelen kun je in sommige gevallen baat hebben bij de SMART-vuistregel. SMART staat voor:
• Specifiek: formuleer (samen) een concreet resultaat voor de pastorale bezoeken.
• Meetbaar: waaraan zullen jullie merken dat het doel bereikt is?
• Acceptabel: de doelstelling moet aanvaardbaar zijn voor degene die hulp vraagt
• Realistisch: de doelstelling moet haalbaar en uitvoerbaar zijn
• Tijd of termijn: denk na over het tijdsbestek waarbinnen de doelstelling gerealiseerd kan worden.

Het stellen van doelen, hoe eenvoudig ook, helpt jullie beiden te bepalen of jullie nog op de goede weg zijn, of jullie nog de goede dingen zitten te doen. Af en toe een evaluatiemoment inbouwen helpt om waar nodig de koers bij te stellen. Het mooie is: je krijgt uit de eerste hand feedback, en dat is altijd leerzaam. Op zeker moment blik je terug en kijk je vooruit, en concludeer je samen dat het moment is aangebroken om het pastorale traject te be eindigen.

Meer lezen?
Jaap Dijkstra, Gespreksvoering bij geestelijke verzorging, een methodische ondersteuning om betekenisvolle gesprekken te voeren (2007).

Verwerking
1. Herken jij bij jezelf dat die ‘houding van het niet weten‘ zo af en toe knap lastig is? Waaruit blijk dat? (Als je dat erkent, ben je al een heel eind.)
2. Vraag iemand eens naar zijn lievelingsgerecht en blijf dan voortdurend vervolgvragen stellen alsof je je er niets bij kunt voorstellen. Het is een grappige oefening in doorvragen vanuit een houding van niet-weten.
3. Kijk eens naar de wat betere praatprogramma’s op de televisie. Wanneer gaat het gesprek op een dans lijken? Zie je dat de gesprekspartners elkaar volgen in houding, mimiek, toon en woordgebruik? Kan je ook zien wanneer dat niet gebeurt en heeft dat gevolgen voor de kwaliteit van dat gesprek?
4. In elk gesprek kun je dus vier lagen onderscheiden. Analyseer voor jezelf eens een pastoraal bezoek met behulp van die vier lagen. Waar ging het gesprek over? Welke emoties zijn er geraakt? Hoe zou je de relatie tussen jullie beiden omschrijven en wat valt er te zeggen over mogelijke verwachtingen over en weer?

Dit artikel is afkomstig uit het Handboek voor Pastors door Willem van der Horst.

Laat een reactie achter