Leren in de Kerk > De kring in het grote geheel

De kring in het grote geheel

Ben je je er als kringleider van bewust van het soort kring dat je leidt en welke plek jouw kring heeft binnen het grotere geheel van de gemeente? Dat is belangrijk, want of een kring wel of niet goed loopt, heeft namelijk niet alleen te maken met de kwaliteiten van de kringleider en de samenstelling van de groep. Het functioneren van je kring kan ook gestimuleerd of gefrustreerd worden door de visie op kringen, of het ontbreken daarvan. Stel jezelf daarom de volgende vragen: Wat is binnen mijn gemeente de visie op kringen? Welke personen dragen de eindverantwoordelijkheid voor de uitwerking van deze visie? Kennen de kringleden waar ik straks mee te maken krijg deze visie en staan ze erachter? En bij wie kan ik terecht voor ondersteuning?

Voorkom een stapeling van structuren
Bij het invoeren van een nieuwe kringstructuur wordt vaak te weinig nagedacht over hoe deze zich verhoudt tot de al bestaande structuren en groepen in de gemeente. Die al aanwezige groepen en structuren worden in veel gevallen in stand gehouden of leiden nog een informeel bestaan. Door deze stapeling van structuren kunnen er botsingen ontstaan. Bovendien kan het de inzet voor en deelname aan kleine groepen frustreren. Als kringleider kun jij daar last van krijgen.

Ellen is coördinator van een miniwijk. Tijdens de miniwijkbijeenkomsten op zondagavond wordt er met elkaar koffie gedronken. Vaak geeft Ellen halverwege de avond gelegenheid voor een rondje ‘wel en wee’. Een aantal leden geeft aan wel meer te willen gaan doen met de miniwijk. ‘Kunnen we niet met elkaar bijbelstudie doen of een thema bespreken? En zou het niet mooi zijn om na zo’n rondje ‘wel en wee’ ook te bidden met elkaar?’ Ellen voelt hier wel voor.
De sfeer is over het algemeen goed, maar de gesprekken mogen wat haar betreft wel wat dieper gaan dan de gebruikelijke ‘koetjes en kalfjes’. En is het niet mooi om elkaar ook op geestelijk niveau beter te leren kennen? Ellen peilt de stemming en vraagt de andere aanwezigen wat zij van deze ideeën vinden. De meesten knikken instemmend.
Behalve Ria. Na wat aandringen, geeft Ria aan de huidige situatie wel prima te vinden. Van haar hoeft het niet zo nodig diepgaander en intensiever. Zoiets moet vanzelf groeien, vindt ze. Dat kun je niet afdwingen. Bovendien, bijbelstudie en bidden doet ze al tijdens de tweewekelijkse ochtendbijbelstudie met een aantal andere vrouwen die ze goed kent.
Ellen zit nu met een probleem. Gaat ze de miniwijkbijeenkomsten op een andere manier vormgeven? En betekent dat dat Ria niet meer komt? Of blijven de huidige bijeenkomsten zoals ze zijn? En is het misschien goed om extra bijeenkomsten te plannen, voor bijbelstudie en gebed, voor wie daar behoefte aan heeft? Maar hebben de miniwijkleden daar tijd voor? En zullen de normale bijeenkomsten op de zondagavond dan nog goed bezocht worden?

Bovenstaand voorbeeld illustreert zo’n botsing. Van iedereen in de gemeente wordt verwacht mee te gaan doen in de miniwijk. Tegelijk zijn er al structuren, waar de Ria uit het voorbeeld aan meedoet, zoals bijbelstudieclubs. Bovendien zijn er geen uitspraken gedaan over hoe deze clubs en de deelname daaraan zich verhouden tot de miniwijken. Waar vullen de verschillende doelstellingen elkaar aan en waar is er overlap? Voor sommigen fungeert de bijbelstudieclub als een kleine gemeenschap, waardoor de miniwijk als iets extra’s wordt beleefd. Voor anderen is de miniwijk de enige kleine groep waar ze bij horen, en ze verwachten er daarom veel meer van.
Als kringleider kom je zo in een spagaat te zitten. Optie 1: De miniwijkbijeenkomsten blijven zoals ze waren. Met als gevolg dat de motivatie van een groot deel van de aanwezigen afneemt vanwege het ‘oppervlakkige’ karakter. Voor extra verdiepende bijeenkomsten is geen tijd of ze zullen ten koste gaan van de bestaande miniwijkbijeenkomsten. Optie 2: De miniwijkbijeenkomsten krijgen een verdieping. Een aantal mensen dat hier niet op zit te wachten zal dan afhaken. Of het lukt niet goed de beoogde verdieping te bereiken, omdat een aantal mensen wel aanwezig is, maar niet inhoudelijk meedoet.

Als kringleider kun je dit niet in je eentje beslissen. Het grotere plaatje vraagt om gerichte keuzes van de leiders binnen de gemeente, om frustratie ‘op de werkvloer’ te voorkomen. Dit dient ook een geestelijk doel. Zo schrijft Paulus over de gemeente het volgende: “Vanuit dat hoofd krijgt het lichaam samenhang, en wordt het ondersteund en bijeengehouden door alle gewrichtsbanden. Ieder deel draagt naar vermogen bij tot de groei van het lichaam, dat zo zichzelf opbouwt door de liefde” (Efeziërs 4:16). Leiders van een christelijke gemeenschap hebben de verantwoordelijkheid de voorwaarden te scheppen om deze ‘opbouw door de liefde’ mogelijk te maken en te voorkomen dat leden van het- zelfde lichaam elkaar tegenwerken.

Gemeente van en met kringen
In de literatuur wordt een belangrijk onderscheid gemaakt tussen een gemeente van kringen en een gemeente met kringen. Dit verschil heeft gevolgen voor de deelname van gemeenteleden aan kringen. Vaak functioneren beide modellen naast elkaar in een gemeente. Met als mogelijk gevolg elkaar tegenwerkende structuren.
Het model ‘gemeente van kringen’ gaat ervan uit dat elk gemeentelid meedraait met een kleine groep. Hoe deze kleine groepen er precies uitzien en of ze er allemaal hetzelfde uitzien, is een tweede. Zo kan een taakgroep ook functioneren als een kleine groep. Vaak zijn kleine groepen in dit model geestelijke gemeenschappen waar omzien naar elkaar en groei in geloof centraal staan. Voordeel: eenduidigheid, focus en niemand wordt vergeten. Valkuil: te veel een dwingend stramien. Het model ‘gemeente met kringen’ gaat ervan uit dat gemeenteleden kunnen kiezen of ze wel of niet meedoen met een kleine groep. Je laat het meer open. Vaak functioneren er ook nog andere structuren om het omzien naar elkaar te bevorderen. Voordeel: verscheidenheid en eigen keus. Valkuil: vrijblijvendheid en een grotere kans dat mensen buiten de boot vallen.

Blijvende bemoediging en toerusting nodig
Verder hebben mensen, hoe capabel ze ook zijn, ondersteuning, bemoediging en toerusting nodig. Niet eenmalig, maar regelmatig. Een gemeente moet niet aan kringen beginnen als ze geen visie heeft op blijvende toerusting door een voortrekker of team van kringcoaches. En een kringleider moet niet aan het leiden van een kring beginnen als hij geen toerusting ontvangt. Als het namelijk, om wat voor reden dan ook, niet goed gaat met jou als kringleider, is dat niet alleen nadelig voor jou, maar ook voor de groep waaraan je leiding geeft.

Harry is enthousiast thuisgekomen van een conferentie over ‘Groeigroepen’. Wat zou het mooi zijn als die ook in zijn gemeente zouden ontstaan! Kleine groepen waarbinnen mensen het leven en het evangelie met elkaar delen. Hij deelt zijn enthousiasme met de voorganger. En die moedigt hem aan zelf met zo’n groep te beginnen. Op dit moment is er geen duidelijke visie op het werken met kleine groepen, en Harry’s voorganger ziet hier een mogelijkheid om de kleine groepen organisch te laten groeien. Want dat werkt toch altijd het best? Gewoon beginnen met de mensen die hier iets voor voelen, in plaats van iets opleggen aan mensen die hier niet voor voelen.
Al snel heeft Harry een mooie groep om zich heen verzameld. En de eerste bijeenkomsten volgen. Na één succesvol seizoen merkt hij echter dat hij minder energie heeft voor het leiden van de groep. Hij mist inspiratie. Bovendien is het op zijn werk drukker geworden.
Verder lukt het hem niet altijd de verschillende verwachtingen die er binnen de groep leven, bij elkaar te brengen. Daarnaast vind hij het lastig dat hij ‘nee’ heeft moeten verkopen aan nieuwe mensen die graag mee wilden doen. De groep werd anders te groot, en andere groepen zijn er niet. Aan het eind van het tweede seizoen besluit Harry te stoppen met zijn taak als groeigroepleider. Niemand van de groep ziet het zitten om zijn rol over te nemen. Het duurt niet lang of de groep valt uit elkaar.

Bovenstaand voorbeeld laat zien hoeveel ruimte een leider kan krijgen. Vervolgens krijgt hij echter geen begeleiding. Alles hangt van hem af, met alle gevolgen van dien. Was Harry door zijn voorganger of door iemand anders regelmatig bemoedigd en toegerust, dan was hij mogelijk niet afgehaakt. Bovendien hadden ze er samen aan kunnen werken iemand anders op te leiden die hem had kunnen opvolgen. Het was dan ook mogelijk geweest een tweede groeigroep te starten. Daarnaast zijn er geen evaluatiemomenten geweest om de bijeenkomsten beter te maken of om te helpen de verwachtingen binnen de groep op één lijn te krijgen.

Bij de invoering van kleine groepen is het de valkuil dat alle energie en aandacht uitgaat naar het opzetten van een structuur en het draaiende houden van bijeenkomsten. Vaak wordt daarbij vergeten doorlopend te investeren in mensen. Deze investering is niet alleen hard nodig, maar zou ook hoog op de lijst van prioriteiten moeten staan binnen een christelijke gemeenschap. Niet voor niets schrijft Paulus dat Christus apostelen, profeten, evangelieverkondigers, herders en leraren heeft aangesteld om de heiligen toe te rusten voor het werk in zijn dienst. Want zo wordt het lichaam van Christus opgebouwd (Efeziërs 4:11 en 12).

Kennismaking met de kringvisie
Ook moet er binnen de gemeenschap blijvende aandacht zijn voor de visie op kringen. Zeker als het gaat om nieuwe leden. Zij hebben misschien allerlei verwachtingen van de kringen, terwijl die heel anders functioneren en heel andere doelen beogen.

John en Ethel zijn verhuisd en hebben contact gelegd met een nieuwe gemeente. Ze hebben al een aantal kerkdiensten bezocht en de sfeer en het onderwijs spreken hen aan. Ook kennen ze al een groot aantal mensen. Ze besluiten lid te worden van deze gemeente, en tijdens een kerkdienst worden ze welkom geheten. Kort daarna worden ze gebeld door de kringencoördinator met de vraag welke avond in de week voor hen geschikt is om mee te gaan draaien met een kleine groep. Dan kan zij hen plaatsen op een kring die op die avond bij elkaar komt.
John en Ethel zijn verrast. In hun oude gemeente had men geen kleine groepen. En dat deze nieuwe gemeente al jaren met een stevige kringenstructuur werkt, wordt hen nu pas echt duidelijk. Hoewel ze de voordelen van het meedoen met kleine groepen voor anderen wel kunnen begrijpen, vragen ze zich af of deze vorm wel iets voor hen is. Bovendien zijn ze allebei doordeweeks erg druk en hebben ze voorlopig genoeg aan de zondagse samenkomsten.

Om zo’n botsing te voorkomen is het aan te raden om als kerk aan nieuwe mensen een nieuwkomercursus aan te bieden. Zo’n cursus kan helpen om duidelijk te krijgen of de nieuwe kerk werkelijk bij je past. Ook geeft dat de mogelijkheid uitgebreider stil te staan bij de visie op kringen en pastoraat en de motivatie voor de keuze van een bepaald model. Als John en Ethel bij de kennismaking hier meer over hadden gehoord, had dit ze kunnen motiveren doordeweeks mee te gaan doen met een kleine groep, of had dit ze kunnen doen besluiten toch naar een andere gemeente op zoek te gaan.
Nog belangrijker dan een kringenstructuur en de uitleg bij deze structuur is een kringencultuur. Met het opzetten van een structuur ben je er niet. Kleine groepen in de gemeente zullen alleen goed functioneren wanneer er in de gemeente een cultuur heerst waarbij het vanzelfsprekend is dat je als gemeentelid bij een kleine groep hoort. Deze vanzelfsprekendheid kan worden bevorderd door het regelmatig herhalen van de visie op gemeenschap en de plek van kringen daarin. Ook het delen van positieve verhalen over mooie kringervaringen helpt daarbij. Aan jou als kringleider en aan de leiding van de gemeente de taak deze kringencultuur te bevorderen.

Het totaalplaatje
Het invoeren van een kringenstructuur en het bevorderen van een kringencultuur beïnvloeden je manier van kerk-zijn. Dit betekent niet hier en daar wat aanpassen, maar gaat over veel meer. Over visie op kerk-zijn. Over visie op pastoraat. Over nieuwe taken en nieuwe rollen. Over pastoraat in kringen in plaats van individueel huisbezoek. Over ouderlingen en oudsten die geestelijk leiding gaan geven en zich meer gaan concentreren op toerusting dan op individueel pastoraat. Over inschakeling van vrouwen en mannen. Over talenten en gaven van álle gelovigen. Als kringleider alleen kun je geen gemeente veranderen. Daarvoor heb je elkaar nodig: Leiding, kader en grondvlak. Maar het is wel goed je van bovenstaande dingen bewust te zijn en waar nodig hierover in gesprek te gaan met de leiding van de gemeente waar jij lid van bent.

Verwerking
• Wat is de visie op kleine groepen binnen mijn gemeente? Wat heeft die visie voor gevolgen voor mijn functie als kringleider? Wat heeft de visie gevolgen voor andere groepen in de gemeente? Zijn de verwachtingen helder? En zie ik mijzelf binnen die visie functioneren als kringleider?
• Wie draagt er binnen de gemeente de eindverantwoordelijkheid voor de kringleiders? Bij wie kan ik terecht voor vragen, overleg, bemoediging en toerusting? Ben ik bereid doorlopend toerusting te ontvangen? En is er ruimte voor mij als kringleider om te stoppen zonder dat dat nadelige gevolgen heeft voor de groep die ik leid?
• Op wat voor manier maken nieuwe leden kennis met de visie op kleine groepen? Wordt deze visie ook regelmatig herhaald in de gemeente? Welke bijdrage wordt er daarin van mij verwacht?

Dit artikel is afkomstig uit het Handboek voor Kringleiders door Peter van Genderen, Theodoor Meedendorp en Hayo Wijma

Laat een reactie achter

Je moet ingelogd zijn om een reactie te kunnen plaatsen.